A: Heb jij gisteren hard gelopen in de regen?
B: Ja, ik heb in de regen gelopen, maar het ging goed.
A: Hoor je het verschil tussen heen en geen?
B: Ja, heen begint met h en geen met g.
A: Zeg eens: Hij gaat graag naar huis.
B: Hij gaat graag naar huis.
A: Zit jij in de bus of op de boot?
B: Ik zit in de bus, maar soms ga ik met de boot.
A: Is de u in bus kort of lang?
B: Dat is een korte u.
A: En in duur?
B: Dat is een lange uu.
A: Kijk jij naar de zee of naar het meer?
B: Ik kijk graag naar de zee.
A: Hoor je het verschil tussen zee en zei?
B: Ja, zee heeft ee en zei heeft ei.
A: Kun je beide woorden zeggen?
B: Zee, zei.
A: Vind jij de geur van deze bloem leuk?
B: Ja, ik vind die geur heel leuk.
A: Is leuk met eu of ui?
B: Met eu.
A: En lui?
B: Dat is met ui.
A: Drink jij water of drink jij soep?
B: Ik drink water en soms soep.
A: Hoor je verschil tussen u en oe?
B: Ja, u is kort en oe is langer.
A: Zeg: put en poet.
B: Put, poet.
A: Ga jij morgen naar de winkel of naar de bank?
B: Ik ga naar de winkel.
A: Hoor je het verschil tussen winkel en winnen?
B: Ja, winkel heeft nk en winnen heeft nn.
A: Zeg beide woorden.
B: Winkel, winnen.
A: Hangt de jas in de gang?
B: Ja, de jas hangt in de gang.
A: Hoor je de klank ng?
B: Ja, in hangt en gang.
A: En in hanen?
B: Nee, dat is alleen n.
A: Heb jij een lange of een korte naam?
B: Ik heb een lange naam.
A: Is de a in lang kort of lang?
B: Kort.
A: En in naam?
B: Dat is een lange aa.
A: Ga jij liever fietsen of rijden?
B: Ik ga liever fietsen.
A: Hoor je verschil tussen rijden en reden?
B: Ja, rijden heeft ij en reden heeft ee.
A: Zeg beide woorden.
B: Rijden, reden.
A: Heeft hij honger of heeft hij genoeg gegeten?
B: Hij heeft honger.
A: Hoor je de h in heeft?
B: Ja, dat is een zachte h.
A: En de g in genoeg?
B: Dat is een harde g.
