##EXP

Dialoog 1 / 10 — Regel 0 / 6
Dialoog 1

A: Heb jij gisteren hard gelopen in de regen?

B: Ja, ik heb in de regen gelopen, maar het ging goed.

A: Hoor je het verschil tussen heen en geen?

B: Ja, heen begint met h en geen met g.

A: Zeg eens: Hij gaat graag naar huis.

B: Hij gaat graag naar huis.

Dialoog 2

A: Zit jij in de bus of op de boot?

B: Ik zit in de bus, maar soms ga ik met de boot.

A: Is de u in bus kort of lang?

B: Dat is een korte u.

A: En in duur?

B: Dat is een lange uu.

Dialoog 3

A: Kijk jij naar de zee of naar het meer?

B: Ik kijk graag naar de zee.

A: Hoor je het verschil tussen zee en zei?

B: Ja, zee heeft ee en zei heeft ei.

A: Kun je beide woorden zeggen?

B: Zee, zei.

Dialoog 4

A: Vind jij de geur van deze bloem leuk?

B: Ja, ik vind die geur heel leuk.

A: Is leuk met eu of ui?

B: Met eu.

A: En lui?

B: Dat is met ui.

Dialoog 5

A: Drink jij water of drink jij soep?

B: Ik drink water en soms soep.

A: Hoor je verschil tussen u en oe?

B: Ja, u is kort en oe is langer.

A: Zeg: put en poet.

B: Put, poet.

Dialoog 6

A: Ga jij morgen naar de winkel of naar de bank?

B: Ik ga naar de winkel.

A: Hoor je het verschil tussen winkel en winnen?

B: Ja, winkel heeft nk en winnen heeft nn.

A: Zeg beide woorden.

B: Winkel, winnen.

Dialoog 7

A: Hangt de jas in de gang?

B: Ja, de jas hangt in de gang.

A: Hoor je de klank ng?

B: Ja, in hangt en gang.

A: En in hanen?

B: Nee, dat is alleen n.

Dialoog 8

A: Heb jij een lange of een korte naam?

B: Ik heb een lange naam.

A: Is de a in lang kort of lang?

B: Kort.

A: En in naam?

B: Dat is een lange aa.

Dialoog 9

A: Ga jij liever fietsen of rijden?

B: Ik ga liever fietsen.

A: Hoor je verschil tussen rijden en reden?

B: Ja, rijden heeft ij en reden heeft ee.

A: Zeg beide woorden.

B: Rijden, reden.

Dialoog 10

A: Heeft hij honger of heeft hij genoeg gegeten?

B: Hij heeft honger.

A: Hoor je de h in heeft?

B: Ja, dat is een zachte h.

A: En de g in genoeg?

B: Dat is een harde g.

Scroll naar boven