Heb gefietst / ben gefietst

Voltooid deelwoord met hebben of zijn

Met hebben:

  • ik heb gewoond, gemaakt, geantwoord

Altijd met zijn:

Voorbeeldtabel – voltooid deelwoord met zijn
aankomen Ik ben vandaag aangekomen. Я сегодня приехал.
blijven Jan is daar gebleven. Ян там остался.
doodgaan De hond is doodgegaan. Собака умерла.
gaan Wij zijn naar huis gegaan. Мы пошли домой.
gebeuren Het is gisteren gebeurd. Это произошло вчера.
groeien De boom is gegroeid. Дерево выросло.
komen Wij zijn vrijdag gekomen. Мы приехали в пятницу.
opstaan Ik ben vroeg opgestaan. Я рано встал.
sterven De kat is gestorven. Кошка умерла.
vallen Het ei is gevallen. Яйцо упало.
vertrekken Maria is vertrokken. Мария уехала.
worden Hij is piloot geworden. Он стал пилотом.
zijn De vrouw is ziek geweest. Женщина была больна.

Hebben of zijn

Werkwoorden van beweging gaan:

  • met hebben als het om een bezigheid gaat
  • met zijn als er sprake is van een richting van A naar B.

Voorbeelden:
Bezigheid vs. Richting – voltooid deelwoord
bezigheid richting
fietsen Ik heb uren gefietst. Ik ben naar Gennep gefietst.
kruipen De baby heeft daarnet gekropen. De baby is naar de deur gekropen.
lopen Wij hebben lang gelopen. Wij zijn naar huis gelopen.
rennen Jan heeft heel ver gerend. Jan is naar de bushalte gerend.
rijden We hebben de hele dag gereden. We zijn naar Parijs gereden.
rolschaatsen Piet heeft buiten gerolschaatst. Piet is naar school gerolschaatst.
schaatsen Wij hebben op het meer geschaatst. Wij zijn naar de overkant geschaatst.
skieën Zij hebben geskied in Oostenrijk. Wij zijn van de helling geskied.
sluipen De vos heeft lang in de tuin geslopen. De vos is naar de kippen geslopen.
varen We hebben op zee gevaren. We zijn naar Engeland gevaren.
vliegen Ik heb nog nooit gevlogen. Ik ben naar de VS gevlogen.
wandelen Wij hebben lekker gewandeld. Ik ben naar het centrum gewandeld.
zwemmen Zij hebben lekker gezwommen. Zij zijn naar de overkant gezwommen.
Занятие vs. Направление – voltooid deelwoord
занятие направление
fietsen Я часами ездил на велосипеде. Я поехал на велосипеде в Геннеп.
kruipen Младенец только что ползал. Младенец подполз к двери.
lopen Мы долго ходили. Мы дошли до дома пешком.
rennen Ян очень далеко пробежал. Ян добежал до автобусной остановки.
rijden Мы ездили весь день. Мы поехали в Париж.
rolschaatsen Пит катался на роликах на улице. Пит приехал в школу на роликах.
schaatsen Мы катались на коньках на озере. Мы доехали на коньках на другую сторону.
skieën Они катались на лыжах в Австрии. Мы съехали со склона на лыжах.
sluipen Лиса долго кралась по саду. Лиса подкралась к курам.
varen Мы плавали по морю. Мы отплыли в Англию.
vliegen Я ещё никогда не летал. Я полетел в США.
wandelen Мы хорошо погуляли. Я дошёл до центра пешком.
zwemmen Они хорошо поплавали. Они доплыли до другого берега.

Vul de juiste werkwoordsvorm in.
Voorbeelden:
ovt  fietsen  Ik ________ gisteren naar Gennep.   Ik fietste gisteren naar Gennep.
vtt   maken   Ik ________een boterham __________. Ik heb een boterham gemaakt.
vtt   gaan      Kees _____ naar huis ________. Kees is naar huis gegaan.

1. 
drinken

We met Jan in de stad een pilsje .

2. 
reizen

Anna gisteren met haar vriend naar Parijs .

3. 
doen

Samen drinken, dat Jan en ik vroeger nooit.

4. 
fantaseren

Marietje altijd graag over reizen naar verre landen.

5. 
kijken

  jij naar de laatste film van Spielberg ?

6. 
inademen

Voor zijn duik de zwemmer eerst diep .

7. 
zijn

Mijn broer nog nooit in Parijs .

8. 
scoren

De jonge voetballer het winnende doelpunt.

9. 
weten

Dat jouw vader blind was, ik nooit .

10. 
tekenen

Jantje voor zijn jarige oma een schattig beertje .

11. 
weten

jij echt niet wie de verkiezingen heeft gewonnen?

12. 
tekenen

Die kunstenaar altijd het liefst bij het ochtendlicht.

13. 
zijn

Napoleon XIII, wie dat?

14. 
scoren

Tiny voor het proefwerk alweer een tien .

15. 
kijken

De stonede hippie een beetje suf uit zijn ogen.

16. 
ademen

Het groene dal een sfeer van rust.

17. 
doen

Wie de suiker in de erwtensoep ?

18. 
fantaseren

Die leugenaar er weer eens flink op los .

19. 
drinken

Moeder vroeger nooit koffie, maar tegenwoordig wel.

20. 
reizen

De familie De Vries vroeger elke zomer naar Frankrijk.

Scroll naar boven