A1 hebben of zijn

Vul de juiste vorm in van hebben of zijn.

1. 

Wij in Nederland.

2. 

De man een auto.

3. 

Ik vandaag thuis.

4. 

Mijn zus twee kinderen.

5. 

jij ziek?

6. 

Het huis groot.

7. 

Het meisje een fiets.

8. 

De studenten op school.

9. 

Hij geen tijd.

10. 

De winkel open.

11. 

We honger.

12. 

Mijn ouders in Amsterdam.

13. 

Je een vraag.

14. 

U ook een vraag.

15. 

U meneer Jansen.

16. 

Het weer mooi.

17. 

De kinderen een bal.

18. 

De politie bezig.

19. 

De hond grote tanden.

20. 

Jan en Marie nog klein.

Scroll naar boven