A2 vast voorzetsel 260123

Vul een voorzetsel in: aan, in, met, naar, op, over, tegen, uit, van, voor.

1. 

Onze dochter is bang onweer.

2. 

De buurvrouw bedankte ons hartelijk onze hulp.

3. 

Wij zijn benieuwd het resultaat.

4. 

Mijn vrouw is boos haar broer.

5. 

Jan denkt vaak terug zijn vakantie.

6. 

Druk even de knop van de lift.

7. 

Morgen ga ik met mijn kat de dierenarts.

8. 

De kinderen genieten het mooie weer.

9. 

De moeder geeft een appel haar kind.

10. 

Karel is ontzettend goed talen.

11. 

Mijn buren houden helaas harde muziek.

12. 

De tiener heeft interesse sport.

13. 

De jeugd van vandaag kijkt minder vaak tv-programma's.

14. 

Ben je wel klaar het examen?

15. 

Opa klaagt steen en been het lawaai van de kleinkinderen.

16. 

Mijn collega komt België.

17. 

Ik krijg zojuist een bericht het examenresultaat.

18. 

Luister vooral goed de docent!

19. 

Die vrouw kan goed omgaan dove en blinde mensen.

20. 

We zijn aan het sparen een nieuwe auto.

21. 

Jan stopte de sleutel zijn broekzak.

22. 

Oké jongens, we gaan nu verder de oefening.

23. 

Niet zo snel mensen, wacht even mij!

24. 

Hé, wat zei jij daar mij?

25. 

Die nieuwe verpleegster moet nog wel even wennen het vroege opstaan.

26. 

De ouders maken zich zorgen hun tienerdochter.

27. 

Heb je zin een wandeling?

28. 

Het baasje zorgt uitstekend zijn hond.

Scroll naar boven