Alleen-maar-pas 2

Oefening
Vul het juiste woord in: alleen, maar of pas.

1. 

Het juiste antwoord weet Anna.

2. 

Hij werkt hier sinds vorige week.

3. 

volwassenen mogen naar binnen.

4. 

Hij heeft tien euro betaald voor dat boek.

5. 

Ik zou graag meegaan, ik moet werken.

6. 

Het kost vijf minuten om daar te komen. 

7. 

Er is één oplossing mogelijk.

8. 

De winkel is op zondag gesloten.

9. 

Ze kwam gisteren terug uit Spanje.

10. 

Ik ben om half acht opgestaan. 

11. 

Hij drinkt water, geen frisdrank.

12. 

Ik heb één vriend in deze stad. 

13. 

Ze heeft soep gemaakt, geen hoofdgerecht. 

14. 

De trein vertrekt om 11 uur.

15. 

We hebben het nog over dit onderwerp gehad. 

Scroll naar boven