Lidwoorden A1 start

Vul de, het, een of - in (- = geen lidwoord).

1. 

Ik koop half brood voor het ontbijt van morgen.

2. 

Waar is toilet in dit gebouw?

3. 

Zij heeft nieuwe auto gekocht.

4. 

kinderen van mijn buurvrouw spelen buiten.

5. 

Ik lees interessant boek voor school.

6. 

tafel in de keuken is groot.

7. 

We hebben thuis hond en kat.

8. 

meisje naast mij heet Anna.

9. 

Voor de school staan fietsen.

10. 

Jan eet altijd appel na het eten.

11. 

ziekenhuis in deze stad is heel groot.

12. 

We horen muziek uit de kamer.

13. 

Morgen komen vrienden van Tom op bezoek.

14. 

Ik neem paraplu mee, want het regent.

15. 

Hij drinkt water uit een glas.

Scroll naar boven