Modale werkwoorden: niet moeten vs niet hoeven

Vul in: niet moeten of hoeven + te. Bij moeten vul je op de lege plek een streepje in: –.
Voorbeeld:
Je   hoeft   niet vroeg naar school   te   gaan.
Je   moet   niet   –  lezen in het donker, dat is slecht voor je ogen. 

1. 

Je niet vergeten de deur goed te sluiten.

2. 

Je niet zo hard praten in de bibliotheek.

3. 

Hij niet wachten, we zijn op tijd.

4. 

Je niemand storen tijdens het examen.

5. 

We niemand bellen, alles is geregeld.

6. 

Je niet zo laat naar bed gaan.

7. 

Je hem dat niet vertellen, dat maakt hem verdrietig.

8. 

Je dat niet zeggen tegen dat gevoelige kind.

9. 

Ik dat boek niet lezen voor het tentamen.

10. 

Je niet zo veel snoepen.

11. 

De werkster niets doen vandaag.

12. 

Mijn zus niet studeren voor deze simpele toets.

13. 

Je niets zeggen als je het niet zeker weet.

14. 

We niet koken, we gaan uit eten.

15. 

Ik morgen niet studeren.

16. 

Hij niet betalen, de toegang is gratis.

17. 

Je niet zo snel rijden, sukkel!

18. 

Je dat niet doen, dat is gevaarlijk.

19. 

Je niet roken in het ziekenhuis.

20. 

We morgen niet vroeg vertrekken.

21. 

Je niet zo boos worden.

22. 

Je vandaag niet werken.

23. 

Je vooral niets kopen, wij hebben alles al.

24. 

Je vandaag niet gaan werken, je bent ziek.

25. 

We niets betalen voor het feest.

26. 

Ik niet zo vroeg uit mijn bed komen morgenochtend.

27. 

Ik vandaag niet naar kantoor gaan.

28. 

Je daar niet parkeren, dan krijg je een bekeuring.

29. 

We ons niet haasten, we hebben tijd genoeg.

30. 

Ze niet gaan zwemmen als ze geen zin heeft.

Scroll naar boven