1.
Jan - opstaan - om zeven uur
2.
Ria – aankomen – op school
3.
wij – meedoen – met de les
4.
jij – afwassen – na het eten
5.
de kinderen – aantrekken – hun jas
6.
vader – aanzetten – de tv
7.
jullie – opruimen – de kamer
8.
ik – binnenlopen – de winkel
9.
de trein – wegrijden – net
10.
Peter – opbellen – zijn vriend