START ovt onvoltooid verleden tijd 250925

Gebruik de onvoltooid verleden tijd (ovt) van het werkwoord.
Voorbeeld: wandelen => Jan ___________ naar huis. Jan wandelde naar huis.

1. 
fietsen

Jan gisteren naar zijn werk.

2. 
wandelen

Mijn ouders altijd graag in het park.

3. 
maken

Het meisje een tekening voor haar moeder.

4. 
wonen

Wij vroeger in een klein dorp bij Nijmegen.

5. 
leven

De prins en het prinsesje nog lang en gelukkig.

6. 
reizen

Naar Spanje wij met de trein.

7. 
leren

Het slimme meisje Nederlands in één nacht.

8. 
luisteren

De cursisten goed naar de docent.

9. 
horen

Ik een vreemd geluid in de keuken.

10. 
praten

We nog lang met onze vrienden over die film.

Scroll naar boven