Voorzetsels 02

Vul een voorzetsel in: aan, bij, in, met, naar, op, over, tot, van, voor.
Een voorzetsel kan ook nul of meer dan één keer gebruikt worden.

1. 

Ik wacht al een uur de bus.

2. 

We gaan morgen het strand.

3. 

Het meisje is bang honden.

4. 

Heb je zin een kopje koffie?

5. 

Mijn buurvrouw werkt een groot ziekenhuis.

6. 

Alsjeblieft, dit cadeau is jou.

7. 

We praten vaak onze vakantieplannen.

8. 

Onze zoon is goed wiskunde.

9. 

Jan is boos zijn collega's.

10. 

Ik ben klaar mijn huiswerk.

Scroll naar boven