Worden / zijn #02

Kruis aan: proces of resultaat.
1. 

De brug werd gerepareerd.

2. 

De brug was gerepareerd.

3. 

De auto wordt gewassen.

4. 

De auto is gewassen.

5. 

De kamer werd elke dag schoongemaakt.

6. 

De kamer was al schoongemaakt.

Scroll naar boven