Klik in het scherm voor de volgende slide.

Scheidbaar werkwoord • Maak zinnen in de tegenwoordige tijd
Voorbeeld:
de leerling – opletten – niet => De leerling let niet op.
Begin de zin met een hoofdletter en eindig met een punt.

1. 
Jan – opstaan – om zeven uur

2. 
Ria – aankomen – op school

3. 
wij – meedoen – met de les

4. 
jij – afwassen – na het eten

5. 
de kinderen – aantrekken – hun jas

6. 
vader – aanzetten – de tv

7. 
jullie – opruimen – de kamer

8. 
ik – binnenlopen – de winkel

9. 
de trein – wegrijden – net

10. 
Peter – opbellen – zijn vriend

Scheidbaar werkwoord • Maak zinnen in de voltooid tegenwoordige tijd
Voorbeelden:
ik – neerzetten – de vaas – daar => Ik heb de vaas daar neergezet.
hij – aankomen – in Parijs (zijn) => Hij is in Parijs aangekomen.
Begin de zin met een hoofdletter en eindig met een punt.

1. 
de man – opzetten – zijn muts

2. 
Anna – opbellen – haar moeder

3. 
ik – opruimen – mijn kamer

4. 
wij – terugbrengen – de boeken

5. 
mijn zus – afwassen – de borden

6. 
wij – aantrekken – onze schoenen

7. 
jullie – schoonmaken – de wc

8. 
ik – opeten – het broodje

9. 
onze hond – weglopen – al vaak (zijn)

10. 
hij – opstaan – om acht uur (zijn)

Vul de juiste werkwoordsvorm in.
Na ‘om’ moet je ook ‘te’ op de juiste plek invullen.

1. 
Fietsen

Ik ben gisteren naar het park .

2. 
Gedogen

De politie heeft drugsgebruik jarenlang .

3. 
Ontdekken

In 1492 heeft Columbus Amerika .

4. 
Gehoorzamen

De puber heeft eindelijk .

5. 
Erkennen, maken

Jan heeft dat hij fouten heeft .

6. 
Herhalen

De geschiedenis heeft zich weer eens .

7. 
Veranderen

De plannen zijn vanwege het slechte weer.

8. 
Beloven, opstaan

Mijn zoon had om vroeg .

9. 
Bijkomen

De patiënt na een urenlange operatie, gisteren.

10. 
Meenemen

Vergeet niet om een paraplu .

11. 
Neerzetten

Ik had mijn tas in de gang .

12. 
Binnenlopen

Om tien uur ben ik de hal van het gemeentehuis .

13. 
Nadenken

Voordat je iets duurs koopt, is het goed om even .

14. 
Tegenhouden

Piet werd door een politieagent.

15. 
Terugbrengen

Heb jij het boek al naar de bieb?

16. 
Uitnodigen

Het is zinloos om Jan , want hij komt nooit.

17. 
Mislukken

Die poging tot een wereldrecord is gedoemd om .

18. 
Voorspellen

Er is slecht weer .

19. 
Ondergaan

De zon is vandaag weer iets later .

20. 
Ondergaan

De man heeft twee hartoperaties .

21. 
Stofzuigen

Moeder heeft in anderhalf uur tijd het hele huis .

22. 
Glimlachen

Vind je het echt zo moeilijk om even voor de foto ?

23. 
Voorkomen

Met zijn ingrijpen heeft de brandweerman een ramp .

Vul de juiste vorm van uitnodigen in.

1. 

Jan heeft mij niet voor zijn verjaardag.

2. 

Maar Jan hoeft mij natuurlijk ook niet niet .

3. 

Het mooie weer tot wandelen.

4. 

Ik ga al mijn vrienden op mijn bruiloft.

5. 

Wij zijn vergeten onze buren .

6. 

Goede buren hoor je wel .

7. 

Ik wilde hen ook , maar ja, vergeten.

8. 

We gaan het goedmaken door de buren alsnog .

9. 

Zou je je buren echt nog gaan ?

10. 

Ja, ze hadden ons ook .

This quiz is for logged in users only.


Scroll naar boven