Modale werkwoorden

Werkwoord

Глагол

kunnen

уметь, мочь 

moeten

долженствовать

mogen

позволено (можно, могу)

hoeven 

следует, необходимо что-то сделать 

willen

хотеть 

zullen

быть (в будущем, буду, будем…)

 

Vervoeging • Спряжение

 

 

kunnen

mogen

moeten

ik

kan

mag

moet

jij/u

kunt (ook: jij kan)

mag

moet

hij/zij/het

kan

mag

moet

wij/jullie/zij

kunnen

mogen

moeten

 

 

 

 

 

willen

zullen

hoeven (te)

ik

wil

zal

hoef

jij/u

wilt (ook: jij wil)

zult (ook: jij zal)

hoeft

hij/zij/het

wil

zal

hoeft

wij/jullie/zij

willen

zulllen

hoeven

 

Stamtijden • Основные формы глагола

 

kunnen – kon – gekund

mogen – mocht – gemogen

moeten – moest – gemoeten

willen – wilde/wou, wouden – gewild

zullen – zou, zouden

hoeven – hoefde – gehoeven

 

Voorbeelden

 

Niet alles wat kan, mag ook.

Je moet eten, anders ga je dood.

Dat zou ik maar niet doen.

Jij zult en moet dat doen.

Wij hoeven vandaag niet naar school.

Je hoeft pas om twee uur te vertrekken.

Ik hoef pas om tien uur op school te zijn.

Ik hoef geen melk in de thee.

Moet dat? Nee, dat hoeft niet.

Maar het mag wel. En het kan ook.

Als je wilt.

Je moet slapen. Je hoeft niet te werken.

Vul het meest geschikte modale werkwoord in: hoeven, kunnen, moeten, mogen, willen, zullen

1. 

Hoe laat ga je naar je werk? Ik pas om tien uur de deur uit.

2. 

Op het gras lopen? Nee, dat niet.

3. 

Het gras maaien? Ik het morgen wel even doen.

4. 

Frans spreken? Nee, te moeilijk, dat ik niet.

5. 

Huiswerk maken? Ja Jan, dat alle leerlingen, dus jij ook.

6. 

Huiswerk doen? Geen zin! Met andere woorden, dat ik niet.

7. 

we vanmiddag naar de bioscoop gaan?

8. 

Die vreselijke Peter en altijd zijn zin krijgen.

9. 

Als je op tijd begint, je je tenminste niet te haasten.

10. 

Het zou morgen weleens regenen.

Vul het meest geschikte modale werkwoord in: hoeven, kunnen, moeten, mogen, willen, zullen

1. 

Als je de bus nog wilt halen, je weleens opschieten.

2. 

jullie mij even helpen met schoonmaken?

3. 

je zin hebben, kom dan naar ons feest.

4. 

In Engeland het verkeer links rijden.

5. 

Kinderen, jullie alleen naar het feest als jullie om elf uur thuis zijn.

6. 

Voordat je dat apparaat gebruikt, je eerst de gebruiksaanwijzing lezen.

7. 

we straks een wandeling maken?

8. 

Onze dochter heeft een allergie: ze niet tegen gluten.

9. 

Waarom ik nog thuis ben? Ik pas om twaalf uur op mijn werk te zijn.

10. 

Het zou morgen weleens regenen.

Scroll naar boven