
Werkwoord | Глагол |
kunnen | уметь, мочь |
moeten | долженствовать |
mogen | позволено (можно, могу) |
hoeven | следует, необходимо что-то сделать |
willen | хотеть |
zullen | быть (в будущем, буду, будем…) |
Vervoeging • Спряжение
| kunnen | mogen | moeten |
ik | kan | mag | moet |
jij/u | kunt (ook: jij kan) | mag | moet |
hij/zij/het | kan | mag | moet |
wij/jullie/zij | kunnen | mogen | moeten |
|
|
|
|
| willen | zullen | hoeven (te) |
ik | wil | zal | hoef |
jij/u | wilt (ook: jij wil) | zult (ook: jij zal) | hoeft |
hij/zij/het | wil | zal | hoeft |
wij/jullie/zij | willen | zulllen | hoeven |
Stamtijden • Основные формы глагола
kunnen – kon – gekund
mogen – mocht – gemogen
moeten – moest – gemoeten
willen – wilde/wou, wouden – gewild
zullen – zou, zouden
hoeven – hoefde – gehoeven
Voorbeelden
Niet alles wat kan, mag ook.
Je moet eten, anders ga je dood.
Dat zou ik maar niet doen.
Jij zult en moet dat doen.
Wij hoeven vandaag niet naar school.
Je hoeft pas om twee uur te vertrekken.
Ik hoef pas om tien uur op school te zijn.
Ik hoef geen melk in de thee.
Moet dat? Nee, dat hoeft niet.
Maar het mag wel. En het kan ook.
Als je wilt.
Je moet slapen. Je hoeft niet te werken.
Oefening: modale werkwoorden #01

Time’s up
Oefening: modale werkwoorden #02

Time’s up
