hebben of zijn

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

Hebben of zijn?

• hebben

Ik heb gelezen.
Jij hebt geschreven.
Wij hebben gegeten.

• zijn

Ik ben gegaan.
Jij bent gekomen.
Hij is geboren.
Zij is gestorven.
Het is gebeurd.

• bezigheid of richting

Ik heb lang gefietst. (bezigheid)
Ik ben naar huis gefietst. (richting)
Wij hebben in het meer gezwommen.
Wij zijn naar de overkant gezwommen.

Scroll naar boven