• hebben
Ik heb gelezen.
Jij hebt geschreven.
Wij hebben gegeten.
• zijn
Ik ben gegaan.
Jij bent gekomen.
Hij is geboren.
Zij is gestorven.
Het is gebeurd.
• bezigheid of richting
Ik heb lang gefietst. (bezigheid)
Ik ben naar huis gefietst. (richting)
Wij hebben in het meer gezwommen.
Wij zijn naar de overkant gezwommen.