Wonen
Anne: Hallo Mark, ben jij de nieuwe buurman?
Mark: Ja, wij zijn de nieuwe buren.
Anne: Wij wonen hier ook pas een maand.
Mark: En wij pas een week.
Anne: Waar woonde je vroeger?
Mark: In Utrecht, een grote stad.
Anne: En wat vind je van het dorp?
Mark: Gezellig en rustig, heel fijn.
Anne: Is je huis groot?
Mark: Ja, groot en licht, met vier kamers.
Anne: Heb je misschien vragen?
Mark: Ja, is er een supermarkt in deze wijk?
Anne: Jawel, een supermarkt en een bakker .
Mark: Waar? Kun je me de weg wijzen ?
Anne: Ja hoor , ik loop met je mee .
Mark: Dank je. Is er ook een park?
Anne: Ja, en een speeltuintje .
Mark: O, dat is leuk voor de kinderen.
Anne: Hoeveel kinderen hebben jullie?
Mark: Maria en ik hebben twee kleine kinderen.
Anne: Hebben jullie een tuin?
Mark: Ja, een tuin met een schommel .
Anne: Wij wonen in een flat, drie hoog.
Mark: Met of zonder lift?
Anne: Met lift.
Mark: Waar laat je je fiets?
Anne: We hebben een plek in de kelder.
Mark: Dat is mooi.
Anne: Nou , ik moet weer verder. Tot ziens.
Mark: Oké, tot kijk, Anne.