Te / om te

te of om te
Werkwoorden: te / om te / ø
Voorbeeldzinnen

Ik ga vanmiddag wandelen.
Maria is van plan te gaan wandelen.
Wij willen niet wandelen.
Kees heeft geen zin om te wandelen.

1. Geen te / om te

Modale werkwoorden

Вера не хочет есть брюссельскую капусту.
Ян хорошо умеет рассказывать истории.
Я тебе помогу.
Тебе нужно сделать домашнее задание.
Можно я возьму конфету?

 

willenVera wil geen spruitjes eten.
kunnenJan kan goed verhalen vertellen.
zullenIk zal je even helpen.
moetenJe moet je huiswerk maken.
mogenMag ik een snoepje pakken?

Beweging

Что ты завтра собираешься делать?
Мария всегда смеётся.
Ты придёшь к нам поесть?

gaanWat ga jij morgen doen?
blijvenMaria blijft altijd lachen.
komenKom je bij ons eten?

Oorzaak / gevolg

Почему ты заставляешь нас ждать?
Это замечание заставило меня задуматься.

latenWaarom laat je ons wachten?
doenDie opmerking deed me nadenken.

Waarneming

Я вижу, как дети срывают цветы.
Мы слышим, как Анна поёт.
Я почувствовал, как мой телефон завибрировал.

zienIk zie de kinderen bloemen plukken.
horenWij horen Anna zingen.
voelenIk voelde mijn telefoon trillen.

2. Met te

Positiewerkwoorden

Мы стоим и ждём.
Она лежит и отдыхает.
Я сижу и читаю.
Что ты там вообще делаешь?
Яблоко там висит и гниёт.

Мы стояли и ждали.
Она лежала и отдыхала.
Я сидел(а) и читал(а).
Что ты там делал?

Мы стояли и ждали.
Она лежала и отдыхала.
Я сидел(а) и читал(а).
Что ты там делал?

staanWij staan te wachten.
liggenZij ligt uit te rusten.
zittenIk zit te lezen.
lopenWat loop je daar nou te doen?
hangenDe appel hangt daar te rotten.

In de vtt (voltooide tijd) geen te

staanWij hebben staan wachten.
liggenZij heeft liggen rusten.
zittenIk heb zitten lezen.
lopenWat heb je lopen doen?

Hoeven, hebben, zijn

Тебе не нужно приходить.
Тебе нужно сделать совсем немного.
Мне редко приходится работать.
Нам нечего делать.
Эту музыку невозможно слушать.
Это растение невероятно красивое.

hoevenJe hoeft niet te komen.
Je hoeft maar weinig te doen.
Ik hoef zelden te werken.
hebbenWe hebben niets te doen.
zijnDe muziek is niet te harden.
Die plant is niet te geloven zo mooi.

Zeggen, beweren, hopen, verwachten etc.
(Let op: alleen als de persoon over zichzelf praat)

Мужчина говорит, что он врач.
Барт утверждает, что у него есть деньги.
Я надеюсь вовремя вернуться домой.
Он ожидает, что добьётся успеха.

De man zegt dat hij arts is.De man zegt arts te zijn.
Bart beweert dat hij geld heeft.Bart beweert geld te hebben.
Ik hoop dat ik op tijd thuiskom.Ik hoop op tijd thuis te komen.
Hij verwacht dat hij slaagt.Hij verwacht te slagen.
Fout:
De man zegt dat Jan arts is.De man zegt Jan arts te zijn.

3. Met om te

Hoeven, hebben, zijn

Я не осмеливаюсь ему возражать.
Я не решаюсь ему возражать.
Не смей мне возражать.
Мы отказываемся работать по воскресеньям.
Я собираюсь продать свой дом.
Она попросила меня прийти.
Я стараюсь всё сделать вовремя.
Я очень хочу домой.
Я приказываю тебе покинуть мой дом.
Я часто забываю брать с собой ключ.
Ты обязан прийти.

durvenIk durf hem niet tegen te spreken.
wagenWaag het niet (om) mij tegen te spreken.
weigerenWij weigeren (om) op zondag te werken.
van plan zijnIk ben van plan (om) mijn huis te verkopen.
vragenZij vroeg mij (om) te komen.
proberenIk probeer (om) op tijd klaar te zijn.
verlangenIk verlang ernaar (om) naar huis te gaan.
bevelenIk beveel jou (om) mijn huis te verlaten.
vergetenIk vergeet vaak (om) de sleutel mee te nemen.
verplicht zijnJij bent verplicht (om) te komen.
verzoekenWij verzoeken jou (om) te komen.

Doel: om te

Анна пошла вместе, чтобы помочь.
Ян остаётся дома, чтобы присмотреть за собакой.
Я беру интересную книгу, чтобы почитать.
У меня нет времени заниматься спортом.
Мой сынишка уже достаточно большой, чтобы
ездить на велосипеде.

Anna ging mee om te helpen.

Jan blijft thuis om op de hond te passen.

Ik pak een leuk boek om te lezen.

Ik heb geen tijd om te sporten.

Mijn zoontje is oud genoeg om te fietsen.

4. Infinitieven zonder te

Ян поёт.
Ян может петь.
Ян учится петь.
Ян может научиться петь.
Ян сможет научиться петь.

Jan zingt.
Jan kan zingen
Jan leert zingen.
Jan kan leren zingen. 
Jan zal kunnen leren zingen.

Ян ждёт.
Ян должен ждать.
Яну пришлось ждать.

Jan wacht.
Jan moet wachten.
Jan heeft gemoeten  moeten wachten.

Regel: deelwoord + infinitief → infinitief + infinitief.

Я слышу, как Ян поёт.
Я хочу услышать, как Ян поёт.
Я хотел бы услышать, как Ян поёт.
Я хотел услышать, как Ян поёт.

Ik hoor Jan zingen.
Ik wil Jan horen zingen.
Ik zou Jan willen horen zingen.
Ik heb Jan willen horen zingen. 

Я слышал, как Ян пел.
Я услышал Яна.
Я услышал, как Ян пел.
Я бы хотел услышать, как Ян пел.

Ik hoorde Jan zingen.
Ik heb Jan gehoord.
Ik heb Jan gehoord  horen zingen.
Ik zou Jan hebben willen horen zingen. 

Я звоню Яну.
Я должен позвонить Яну.
Я должен был позвонить Яну.

Обратите внимание на особую форму глагола zijn.
Я не был на работе.
Я не ходил на работу.

Ik bel Jan op.
Ik moet Jan opbellen. 
Ik had Jan op gemoeten  moeten bellen.

Let op de bijzondere vorm van zijn:
Ik ben niet op mijn werk geweest.
Ik ben niet wezen werken.

This quiz is for logged in users only.


Klik het juiste antwoord aan: ‘om te’, ‘te’ of ‘-’ (niets).
1. 

De buurman komt vanavond even langs ____ mijn kast ____ repareren.

2. 

Ik kan morgen ____ niet ____ werken.

3. 

De chef heeft beloofd ____ de klanten ____ zullen bellen.

4. 

Wij hebben morgen eindelijk tijd ____ het huis ____ schilderen.

5. 

Sara wil met haar tante ____ naar het strand ____ gaan.

6. 

Het kindje probeert ____ iets ____ zeggen.

7. 

Vader zit rustig ____op de bank ____ lezen.

8. 

We gaan naar de markt ____ verse groente ____ kopen.

9. 

De docent vraagt de studenten ____ op tijd ____ komen.

10. 

De buurvrouw hoopt ____ morgen ____ verhuizen.

11. 

Mijn broer besluit ____ vaker ____ gaan sporten.

12. 

De manager komt vroeg ____ het team ____ helpen.

13. 

Ik mag van de dokter ____ vandaag geen koffie ____ drinken.

14. 

Anna is vergeten ____ de deur ____ sluiten.

15. 

De buurman heeft zin ___ samen ____ lunchen.

16. 

Gaan jullie mee ____ picknicken in het park?

17. 

De politie vraagt de man ____ hier even ____ wachten.

18. 

Mijn ouders proberen ____ eerder ____ vertrekken.

19. 

Peter en ik werken samen ____ de schuur mooi zwart ____ schilderen.

20. 

Het kind durft niet ____ alleen ____ slapen.

Scroll naar boven