Maar, pas, alleen • Oefening 1 Oefening Vul het juiste woord in: alleen, maar of pas. Naam Klas 1. Ik heb vijf euro bij me. 2. Ze kwam om negen uur binnen. 3. hij en zijn broer waren aanwezig. 4. We hebben tien minuten hoeven wachten. 5. Ik wil je wel helpen, ik heb het druk. 6. Hij woont kort in Nederland. 7. kinderen mogen meedoen met dit spel. 8. Er zijn gisteren twee mensen op het feest geweest. 9. Het is drie kilometer bij Nijmegen vandaan. 10. De winkels zijn op werkdagen open. 11. De winkels zijn tot drie uur open. 12. De winkels zijn om tien uur open. 13. Ik heb uiteindelijk tien euro verdiend. 14. Jan was op het werk verschenen. Time's up Maar, pas, alleen • Oefening 2 Oefening Vul het juiste woord in: alleen, maar of pas. Naam Klas 1. Het juiste antwoord weet Anna. 2. Hij werkt hier sinds vorige week. 3. volwassenen mogen naar binnen. 4. Hij heeft tien euro betaald voor dat boek. 5. Ik zou graag meegaan, ik moet werken. 6. Het kost vijf minuten om daar te komen. 7. Er is één oplossing mogelijk. 8. De winkel is op zondag gesloten. 9. Ze kwam gisteren terug uit Spanje. 10. Ik ben om half acht opgestaan. 11. Hij drinkt water, geen frisdrank. 12. Ik heb één vriend in deze stad. 13. Ze heeft soep gemaakt, geen hoofdgerecht. 14. De trein vertrekt om 11 uur. 15. We hebben het nog over dit onderwerp gehad. Time's up