A2 • Lezen en praten

Op weg naar het strand

Vandaag loop ik naar het strand. Ik wandel door de duinen en zie onderweg mooie bloemen en plantjes. Ik weet niet precies hoe ze heten, maar ik bewonder ze graag. Het strand is een van mijn favoriete plekken om te zijn, daarom neem ik je vandaag mee tijdens deze wandeling.

Onderweg zie ik een paar mooie koeien. Het lijken Shetlanders te zijn. Even later trekken donkere wolken over. Het zou mooi weer worden, maar het begint toch een beetje te regenen. Eerst was het zonnig, nu is het bewolkt. Maar dat maakt niet uit: we zijn er toch al.

We lopen naar strandslag 10. Via deze strandslag komen we op het strand. Onderweg zien we een bord waarop staat dat honden aan de ene kant van het strand los mogen lopen en aan de andere kant niet, tenminste in bepaalde maanden. Voor mensen die hun hond uitlaten is het strand een fijne plek. Zeehonden mogen hier natuurlijk altijd komen.

Bij de ingang van het strand staat een strandtent. Daar kun je iets drinken of lunchen. Verderop liggen bootjes. Op zee kun je varen of zeilen, bijvoorbeeld met een zeilboot of een katamaran.

Ik kom graag naar het strand om uit te waaien en een lange wandeling te maken. Ik vind het heerlijk om met mijn voeten op het zand te lopen en daarna mijn voeten in de zee te steken. Dat geeft een ontspannen gevoel. Veel mensen komen naar het strand om te zonnebaden en urenlang in de zon te liggen. Zelf wandel ik liever langs de kust. Ook vind ik het fijn om ’s avonds naar de zonsondergang te kijken of ’s morgens vroeg te komen om te mediteren en de zonsopgang te zien.

De zee is nog koud. In het water zie ik schelpen en mooie golven. Je kunt natuurlijk in zee zwemmen, maar nu is het water nog fris. Toch nemen veel mensen graag een koude duik. Met oud en nieuw doen sommige mensen zelfs mee aan de nieuwjaarsduik op 1 januari. Zelf vind ik dat te koud.

In de zomer zijn er soms spontane dansfeestjes op het strand. Mensen dansen dan salsa of bachata terwijl de zon ondergaat. Dat maakt de sfeer extra bijzonder.

Nederland heeft veel stranden. Het westen van het land bestaat grotendeels uit kustlijn. Daardoor zijn er veel mogelijkheden om naar het strand te gaan. De Nederlandse stranden zijn vaak breed en hebben veel zand.

Ik loop hier op het strand tussen Scheveningen en Kijkduin. In Scheveningen vind je de haven en de pier. Het is een populaire badplaats voor toeristen. Mijn familie komt oorspronkelijk uit Scheveningen.

Langs de kust zijn ook veel meeuwen te zien. Ze kunnen soms behoorlijk vervelend zijn.

Bij het strand, de zee en het zand horen ook verschillende uitdrukkingen en spreekwoorden.

Je kop in het zand steken betekent dat je een probleem negeert of de waarheid niet onder ogen wilt zien. Iemand die al lange tijd ergens last van heeft maar niet naar de dokter gaat, steekt zijn kop in het zand.

Zand erover betekent dat je iets vergeeft en verder wilt gaan. Als iemand iets heeft gedaan wat je niet leuk vond, kun je zeggen: “Zand erover.”

Er zijn genoeg vissen in de zee betekent dat er nog genoeg andere mogelijkheden zijn. Deze uitdrukking wordt vaak gebruikt bij iemand die een relatie heeft verloren.

Zeeën van tijd betekent dat er heel veel tijd beschikbaar is.

Met iemand in zee gaan betekent dat je met iemand gaat samenwerken.

Recht door zee betekent dat iemand direct, praktisch en eerlijk is.

Het werkwoord stranden heeft zowel een letterlijke als een figuurlijke betekenis. Letterlijk betekent het dat iets aanspoelt op het strand. Bijvoorbeeld goederen van een schip die op het strand terechtkomen. Figuurlijk betekent stranden dat iets mislukt of onverwacht stopt. Een bedrijf kan stranden als het failliet gaat. Ook een reis kan stranden. Wie met de auto naar Spanje wil rijden maar door autopech niet verder komt dan Frankrijk, kan zeggen dat hij in Frankrijk is gestrand.

    Vragen (A1/A2)

  1. Waar loopt de verteller vandaag naartoe?
  2. Door welk gebied wandelt hij onderweg naar het strand?
  3. Wat ziet hij onderweg in de duinen?
  4. Waarom neemt hij je mee tijdens deze wandeling?
  5. Welke dieren ziet hij onderweg?
  6. Hoe wordt het weer later tijdens de wandeling?
  7. Naar welke strandslag lopen ze?
  8. Wat mogen honden aan één kant van het strand doen?
  9. Wat kunnen mensen doen in de strandtent?
  10. Welke boten worden in de tekst genoemd?
  11. Waarom gaat de verteller graag naar het strand?
  12. Wat doet hij met zijn voeten in de zee?
  13. Wat doen veel mensen op het strand als de zon schijnt?
  14. Waar kijkt de verteller graag naar in de avond?
  15. Waarom neemt de verteller zelf geen nieuwjaarsduik?
  16. Welke dansen worden soms op het strand gedanst?
  17. Waarom heeft Nederland veel stranden?
  18. Tussen welke twee plaatsen loopt de verteller op het strand?
  19. Waar komt zijn familie oorspronkelijk vandaan?
  20. Welke vogels zijn langs de kust te zien?
  21. Wat betekent de uitdrukking ‘je kop in het zand steken’?
  22. Wat betekent ‘zand erover’?
  23. Wanneer gebruik je de uitdrukking ‘er zijn genoeg vissen in de zee’?
  24. Wat betekent ‘met iemand in zee gaan’?
  25. Hoe is iemand die ‘recht door zee’ is?
  26. Wat betekent het werkwoord ‘stranden’ letterlijk?
  27. Wat betekent het werkwoord ‘stranden’ figuurlijk?
  28. Waardoor kan een reis volgens de tekst stranden?
  29. Wat gebeurt er met goederen die aanspoelen op het strand?
  30. Zou jij liever wandelen, zwemmen of zonnebaden op het strand? Waarom? (A2)
Scroll naar boven